Afgelopen week ben ik met mijn dochtertje een uurtje gaan zwemmen in het zwembad tijdens het ‘oefenuurtje’ voor de zwemles. Een uurtje gezellig 1 op 1 met één van mijn dochters én oefenen wat ze nog lastig of spannend vindt, tijdens de zwemles. Tijdens het oefenen zijn er natuurlijk meer ouders met hun kinderen en het trof mij wat ik zag, of eigenlijk hoorde...
In het water stond een moeder met een andere moeder te praten over de zwemles. Op zich niet zo vreemd tijdens het oefenuurtje, maar het trof mij wat ze zei. In de trend van: ‘Mijn zoontje was al vreselijk tijdens de zwemles, maar zij is nog veel erger.’ Ik stond te klapperen met mijn oren, keek naar het desbetreffende meisje en zag haar er rustig, uitdrukkingsloos bij staan. Alsof het heel normaal is dat zoiets over haar wordt gezegd. Misschien is dit ‘gewoon’ een onhandige woordkeuze geweest van deze moeder.
Dit voorbeeld liet mij opnieuw even bewust worden hoe ik met mijn kinderen om wil gaan. Ik denk dat we ons bewust moeten zijn van hoe we over onze kinderen én andere mensen praten. We moeten nooit over het hoofd van onze kinderen of onze medemensen praten. Het is belangrijk dat we positieve woorden spreken over en tegen anderen. Om mensen op te bouwen en niet af te breken. Kinderen gaan zich gedragen naar de woorden die zij over hen uitgesproken krijgen.
Woorden hebben kracht, daar moeten we ons bewust van zijn. Ook ik moet me er bewust van blijven, als ik bijvoorbeeld een van mijn kinderen wil corrigeren. En natuurlijk mislukt dat ook weleens. Ik probeer mijn kinderen ook mee te geven dat als een ander kind iets doet dat zij niet leuk vinden, de andere niet ‘stom’ is. Maar dat zij moeten aangeven dat ze het gedrag van de ander niet leuk vinden.
Ik wil ernaar streven dat mijn kinderen zich geliefd voelen.
Na het oefenen voor de zwemles hebben we nog even heerlijk gespeeld in het water.
1 Petrus 3:10
‘Wie het leven liefheeft en gelukkig wil zijn, moet geen laster of leugens over zijn lippen laten komen, hij moet het kwaad uit de weg gaan en het goede doen, en voortdurend vrede nastreven.‘